De zoon en de zee

 

Nog steeds denkt men vaak dat ik een meisje ben.

Een lief, verlegen meisje.

Ik hoef daar niets voor te doen.

Mannen willen mij behoeden.

 

Er was een rozenkweker. Hij legde mij in zijn bed.

Hij belde z’n moeder. Ik heb nu een meisje, zei hij.

Iedere dag ging hij naar de kassen.

Nooit nam hij rozen voor mij mee, alles was voor de export.

Ik wilde met hem naar de zee.

Hij nam een dag vrij en ging mee.

 

Er zijn moeders die hun zonen niet leren zwemmen.

Ik droeg de rozenkweker de branding in,

en gaf hem mee met de zee.

De kassen liet ik vrij. Ik belde de moeder

en vertelde over haar zoon en de zee.

 

 

 

 

 

 

 

Uit: Als was zij mijn vrouw (Uitgeverij kleine Uil, 2012)

De overtollig geworden dromen

 

‘Op zijn zwerftocht door Europa  

is het konvooi overtollig geworden dromen

in Sofia aangekomen.’

Mijn moeder leest het bericht triomfantelijk voor

uit de krant;

zij hamstert niet voor niets.

 

’s Avonds zien we de beelden op het journaal:

Doodvermoeide dromen,

sinds eind vorig jaar onderweg.  

 

Net als in de rest van het gestresste Europa

worden de arme dromen in hun oude jassen

beschimpt en opgejaagd door de straten.

‘Ga terug naar waar jullie vandaan komen!’

schreeuwen de Sofioten.

 

Maar ze kunnen niet terug.

Niemand weet waar de dromen

oorspronkelijk vandaan komen.

Ze zijn ouder dan de kerken.

 

 

 

Uit: Als was zij mijn vrouw (Uitgeverij kleine Uil, 2012)

 

 

 

Zo is t nait goan

 

Tot elks verboazen bleef de dikke buurvraauw

toun ze ainmoal sturven was

gewoon deurproaten:

 

laange citoaten oet olde Polygoonjournaals;

mainst versloagen over keunelke familie

en de vreugdevolle maaidoagen van 1945.

 

Eerst wer der docht, t liek is nog waarm,

as t verstieft krampt mond heur wel stom.

Mor zo is t nait goan.

 

Ze begon te zingen: kienderverskes

dij de mainsten allaank vergeten waren,

pareltjes van onschuld en hoop.

 

Verzichteg begon der ain mit te zingen.

En nog ain, en weer ain. Tot elk zong.

Der wer n trekharmonikoa regeld.

 

 

 

Uit: Dubbel Glas - Ale Gedichten (Uitgeverij kleine Uil, 2012)

Onbegroaven grond

Jeudenkerkhof Oethoezen

 

De strakke heeg omzeumt t laang-

waarpeg lapke grond en een

 

stilte ien dizze klaaine roemte

dij dikker is as de

 

algemaine stilte rondom. Asof ik

hier, boeten, aargenswoar

 

binnen bin. Vaaierntwinneg groaven.

En nog wel ainmoal zoveul

 

vaaierkaande meter onbegroaven grond.

Dij was en is veur wel hier liggen zollen.

 

Want wel hier nait liggen,

dij liggen hier veuraal.

 

 

 

 

Uit: Dubbel Glas - Ale Gedichten (Uitgeverij kleine Uil, 2012)

De hotelmanager

 

De hotelmanager heeft mij verlaten.

Ik mis hem zo erg dat het pijn doet.

Ik moet opnieuw leren slapen.

 

Ik heb zulke fantastische herinneringen.

We zwommen iedere ochtend baantjes in ‘De Parel’

voor hij naar het hotel ging.

We lieten onze tanden bleken,

er brak een eindeloos mooie zomer aan.

We fietsten veel. Hij zwaaide naar voorbijvarende boten.

Het was ideaal.

 

Mijn zus was blij voor me dat ik eindelijk

iemand had gevonden.

Ik wilde alles van hem weten.

Hij vertelde over zijn jeugd, z'n moeder,

over z’n werk als hotelmanager.

Het hotel had bijvoorbeeld 34 kamers.

Hij had een paar leuke collega’s.

 

Toen begon ik hem vast te houden

en dat moet je nooit doen,

dat staat in alle boeken.

 

 

Uit: Als was zij mijn vrouw (Uitgeverij kleine Uil, 2012)

De doden

 

Tante Auwien verscheen vannacht aan mij

in een droom. Nog steeds eenvoudig gekleed.

Zij zat op een gewone keukenstoel

en keek mij langdurig zwijgend aan.

 

Haar lippen vormden vervolgens

nog een aantal geluidloze woorden.

Ik kon haar sprakeloos bericht niet bevatten.

 

Bij leven had mijn tante ook nooit veel tekst,

haar man deed altijd het woord.

Mijn oom was zijn gehele werkzame leven ambtenaar

en is mijn tante voorgegaan.

 

Hem zag ik echter niet.

Misschien was het een doordeweekse dag

en gaat hij, ook daar, gewoon naar kantoor.

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit: Als was zij mijn vrouw (Uitgeverij kleine Uil, 2012)